Van Newcastle naar Aberdeen
Deze zomer begint onze route via de afsluitdijk, en dat is echt nieuw. Want na de noordelijke kusten van Scandinavie en de zuidelijke van Frankrijk en Noord Spanje maken we dit jaar de oversteek naar het westen, naar het Verenigd Koninkrijk.
Na een nachtje varen vanuit IJmuiden en een relaxt ontbijt aan boord rijden we tegen elven Newcastle binnen. Via smalle weggetjes met keienmuurtjes en heggetjes volgen we de kust noordwaarts.
Nu we in Northumberland zijn moeten we natuurlijk even een kijkje nemen bij kasteel Bamburgh. Deze locatie speelde een belangrijke rol in de Netflix serie The Last Kingdom, over het leven van Uhtred van Bebbanburg, zoals het hier in Vikingtijd heette. We hebben de vijf seizoenen van deze serie werkelijk verslonden.
Iets boven Bamburgh passeren we de grens naar Schotland. We bewaren Edinburgh voor de terugreis en steken direct het water, de Firth of Forth, over en volgen de kustlijn. We maken een wandelingetje door het oude vissersplaatsje Crail, met haar smalle keienstraatjes, cottages en trapgevelhuisjes van grijs en zandkleurig natuursteen rond een klein vissershaventje.
Onze camping ligt aan de rand van een volgende havenplaats, St Andrews. Een stadje met een lange geschiedenis. Het is een universiteitsstad, met centraal de ruines van wat ze vermoeden de oudste Keltische kerk met kerkhof en bijgebouwen en een klein vissershaventje met gekleurde huisjes.
Dit is de regio Neuk, een duinachtige streek met zandstranden, de bakermat van golf. Al in de vijftiende eeuw zou hier een voorloper van deze sport beoefend worden. Momenteel is het een aaneenschakeling van, soms wel erg luxe, golfresorts.
We steken het water, Firth of Tay, over naar Dundee en komen in een ander landschap terecht. Het is hier veel vlakker, met veel akkerbouw, wuivende graanvelden en tunnels voor de fruitkweek.
Arbroath is een grotere werkhaven, met weer veel kleine vissersbootjes met vangkooien voor kreeft en krab, opgestapeld in hoopjes op de kades. We smeren er een broodje, slenteren even rond de haven en sluiten af met een bolletje schepijs op een bankje.
Onderweg passeren we nog een paar havenplaatsjes en strijken neer op een camping aan de kust, in de historische havenplaats Stonehaven. Het is een unieke plek, aan de oostelijke punt van de Highland Boundary Fault, de breuklijn naar het zuidwesten van Schotland, waar twee aardplaten tegen elkaar geschoven zijn. Ten noorden van de breuklijn beginnen vrij abrupt de Highlands en ten zuiden liggen de vlakkere vruchtbare gronden die we zojuist doorgereden zijn.
We nemen de bus naar Aberdeen. De halte is vlak naast de camping en de verbinding gaat rechtstreeks naar het bus- en treinstation in het centrum van de stad, pal aan de belangrijkste winkelstraat en de zeehaven, van waaruit de grote schepen naar de Orkney en de Shetland eilanden vertrekken. Vanwege de granieten gebouwen wordt Aberdeen ook wel Silver City genoemd, maar met alle asfalt en beton oogt al dat grijs toch ook best wat somber. Alle werkzaamheden in het centrum maken het er ook niet vrolijker op. De vele parken en parkjes, met groen en bloemen fleuren het geheel wat op. We wandelen langs een paar imposante gebouwen en kerken en komen dan bij de kades van de meerarmige haven. Aan de noordpunt van de haven genieten we een verlate lunch in het visrestaurant naast het havengebouw en lopen dan een stukje langs de boulevard, met foodtrucks en allerlei vormen van vermaak, terug de stad in. Omdat het inmiddels wat is gaan regenen doen we nog een rondje door het overdekte winkelgebied bij het station en ploffen dan eind van de middag weer op de bankjes van de bus terug.
We treffen een stralend zonnetje boven Dunnottar Castle, een ruine op een vrijstaande rots in zee vlak buiten Stonehaven. Wanneer we uitgefotografeerd zijn buigen we van de kust af, de beboste heuvels van de Hooglanden in. De volgende trekpleister ligt nog geen twintig kilometer verderop. In een bosachtig park, waar je kilometerslange wandelingen kunt maken ligt Crathes Castle met haar ommuurde botanische tuinen. Een pracht aan bloeiende borders en perkjes met een enorme plantenkas. Busladingen komen erop af, maar verspreiden zich over het enorme terrein, waar zelfs wilde grazers liggen te herkauwen.
Speyside
De route gaat over en langs steeds hogere heuvels, koeien en schapen grazen er aan beide zijden tussen de graanvelden en de bossen. We rijden om de hoogste heuvel, Tap o’ Noth met een hoogte van 563m, heen de regio Speyside binnen, de regio waar de helft van de Schotse single malt whisky geproduceerd wordt. Het reisdoel voor vandaag is Dufftown, de plaats waar de destilleerderij van Glenfiddich staat. Voor morgen hebben we er een rondleiding met proeverij staan.
Vanaf de camping is het een kleine wandeling naar de whisky locatie. Dat hadden we speciaal uitgezocht, zodat we beide na de rondleiding mee konden doen met de proeverij. Voor bestuurders hadden ze trouwens keurig proefsetjes klaarliggen om thuis te proeven, maar dan had ik ons terug moeten rijden. Nu rijd ik eigenlijk niet graag zelf in de camper, ben meer van de catering onderweg, en zeker het links moeten rijden vind ik wel heel spannend, dus lopen vind ik een heel goed idee. Het weer zit mee, tijdens de wandeling is het lekker zonnig, met een enkel klein buitje tijdens de rondleiding en op het moment dat we de camper weer instappen. Als we die timing deze vakantie zo kunnen blijven volhouden, dan valt het natte Schotland best mee.
Via Craingorms naar Inverness
Onderweg naar Inverness passeren we meerdere destilleerderijen, niet allen zijn open voor bezichtigingen. Dan rijden we langs een gigantische kuiperij, met heerlijk geurende whisky vaten die tot in de berm opgestapeld staan. We nemen op de route nog een noordelijk tipje van nationaal park Cairngorms mee. De heuvels zijn hier hoger, ronder en kaler. Her en der is de onderliggende rotsstructuur zichtbaar.
Wanneer we Inverness naderen daalt de weg snel. Het is dan ook een havenplaats aan een fjord, Moray Firth. Het oude centrum, rond het kasteel aan de oever van rivier Ness, is een levendig winkelgebied. We halen er wat boodschappen en souveniers en vervolgen onze reis langs de rivier naar de volgende camping in Drumnadrochit, het toeristische centrum Loch Ness Bay.
Loch Ness
Op de camping heerst een rommelige drukte. In hoefijzervorm staan de campers en een enkele caravan in een dubbele rij langs een grindpad met in het midden een open grasvlakte voor tentjes. De camping is volgeboekt, zien we aan alle namen die ingevuld staan op de plattegrond van het terrein bij de receptie. Op de campings doen ze niet zo moeilijk over privacy, je naam staat bij de receptie vermeld, of op een kaartje aan het paaltje bij je kampeerplaats. Voor het reizen bevalt ons dit overigens uitstekend. De route hebben we thuis al uitgestippeld, de campings gereserveerd en betaald. Campings kunnen we zo op- en afrijden, ook als de receptie al lang gesloten is. Zo hoef je je op een reisdag niet druk te maken om de tijd en voelt een vast reisplan toch heel vrij.
De camping ligt op het terrein van een manege, paarden staan rondom de camping. In de weilanden eromheen grazen schapen, heel veel schapen, waar je maar kijkt. Voordat je het dorp ingaat zijn er weer de Schotse roodbruine runderen, de Schotse Hooglanders, de nationale trots. In de souvenierwinkels wemelt het van de prullaria met afbeeldingen van deze langharige beesten met hun imposante hoorns. En hier natuurlijk ook de Nessie souveniers, het watermonster dat volgens een oude sage in het meer van Loch Ness leeft. Maar de hoofdattractie hier is de ruïne van Urquhart Castle, een middeleeuws fort waar door de Schotten en de Engelsen hevige strijd is geleverd over onafhankelijkheid. Tijdens de Jacobite Rising, de mislukte opstand in 1745 voor een herenigd Brits Koninkrijk, is het kasteel verwoest. Met de camping op een kwartiertje lopen van het kasteel zijn we in de luxe positie het op dezelfde dagticket, tegen sluitingstijd, nogmaals te bezoeken, om het te fotograferen als de zon het van de andere kant beschijnt.
We volgen de westoever van het meer, dat onderdeel uitmaakt van de Great Glen, de vallei die van noordoost naar zuidwest Schotland in twee helften verdeelt. Het meer van Loch Ness is in feite een verbreding in de waterweg van deze vallei.
Dan buigen we af in noordwestelijke richting, door de Glen Moriston vallei de hoogtes in, passeren meerdere stuwdammen, de rivier verbreedt zich zo nu en dan als een meer. Bergtoppen van meer dan 1000 meter hoog liggen aan beide zijden van de weg. Hier dus niet meer de beboste ronde heuvels, maar grillige rotsen, de toppen in nevel gehuld.
Wanneer de rivier uitmondt in een binnenzee ligt daar Eilean Donan Castle, op een klein eilandje. Het kasteel heeft meerdere metamorfoses ondergaan, is evenals Urquhart Castle tijdens een jakobistische strijd om het koningschap verwoest, maar daarna wel weer opgebouwd en met een brug met de wal verbonden. In 1912 startte een twintig jaren durende restauratie en alle vertrekken zijn momenteel te bezichtigen. Levensechte wassen poppen beelden er het leven van de bewoners uit. Het kasteel is na sluitingstijd, of buiten de zomermaanden als trouwlocatie af te huren.
Isle of Skye
Dan bereiken we de Skye Bridge en rijden we het eiland Skye op, een van de Binnen-Hebriden. Het eiland heeft een grillige vorm, we steken direct door naar de noordwestelijke punt Trotternish. We hebben er een plekje gereserveerd op de, waar op de website al voor gewaarschuwd werd, inderdaad volgeboekte camping van Staffin. We wachten in de camper even het buitje af en gaan dan het geitenpaadje af richting de kliffenkust.
Vlak naast de camping ligt Kilt Rock, de waterval die van het op hoogte gelegen meertje van de kliffen de open zee instort. Het is een van de trekpleisters van Skye, dus fijn dat we er al voor het arriveren van de bussen met reisgezelschappen kunnen rondkijken. Zodra we de camper er om tien uur parkeren komen de eerste al aanzetten.
We rijden verder, naar het uiterste puntje, waar er alleen nog een eenbaansweg is, maar om de honderd meter zijn er haventjes om tegenliggers te laten passeren. Bij een bergmeertje wordt wildgekampeerd, tussen de schapen. De schapen grazen hier vrij rond en staan regelmatig stoïcijns op de weg, of ze de grommende dieselmotor niet horen aankomen.
De huisjes zijn hier wit gepleisterd en staan in hun eentje op de groene hellingen, of in groepjes als gehuchtjes in een baai aan de kust. In de bermen bloeit de distel mooi lila tussen de witte spirea en de paars bloeiende heide. Bij de kliffen van Camas Mòr vinden we een idyllisch plaatsje aan het water om even te lunchen.
We slalommen en ritsen weer naar zeeniveau en naderen de veerhaven van Uig, waar de ferry naar de Buiten-Hebriden aan de kade ligt. Na dit ommetje op Trotternish keren we niet terug naar Staffin, maar naar de camping van Sligachan, een centraal punt op dit bijzondere eilend. Het is de eerste dag dat het vrijwel de hele dag regent. Om een uur of drie houden we het buiten zijn voor gezien en relaxen lekker in de camper, online en met de meegebrachte reisboeken en romans en een half oor gericht op de Proms op BBC3. Het is per slot van rekening ook gewoon vakantie toch?
We zijn Portree, de hoofdstad van Skye, al twee keer gepasseerd, op de heenreis naar het noorden van het eiland en op de terugreis. Het is er zo druk, een parkeerplekje vinden is bijna geen doen, laat staan eentje voor een camper. Al rijdend hadden we al wel de haven met de gekleurde huisjes gezien en gefotografeerd en erin berust dat we het verder maar moesten laten varen. Maar bij de ingang van de camping waar we nu staan is er een bushalte. Een paar keer per dag gaat er vanaf hier een bus naar het stadje, een kwartiertje rijden, twee pond per persoon, hartje centrum.
We gaan in Portree mee met de flow. Maken er ook de kiekjes van de gekleurde huisjes en slenteren even langs de souvenierwinkeltjes en de take away’s, maar kiezen dan voor een wandelroute door de bossen en vlaktes van de rots naast de baai, de Scorrybreac Circular. Je hebt er mooi zicht op het stadje en de haven, Loch Portree met haar viskwekerij en het omliggende gebergte.
Terug in de stad doen we even een hapje en een drankje in een gezellig koffietentje, en dan vallen we met onze neus in de boter. Er blijken Highland Games gaande. Op een veldje, met rondom foodtrucks en kraampjes, wordt gestreden om diverse bokalen. Er wordt hardgelopen, kogel gestoten, met klossen over hoogtelatten geworpen en een doedelzakband zorgt voor de muzikale aankleding. Wat een leuke verrassing voor we weer in de bus terug stappen.
Op de camping drogen we onze schoenen en kleding even bij de roosters van de verwarming in de camper en steken daarna de weg over voor een heerlijke maaltijd in Seumas’ Whisky Bar, die al meerdere keren bekroond is als beste pub. Het is er gezellig druk.
We zitten hier in de “the heart of” de Cuillin. Helaas kunnen we door de laaghangende bewolking weinig zien van de bergtoppen. De volgende ochtend is de regen verdwenen, direct zijn ook de knutten weer terug van weggeweest, muggetjes klein als onweersbeestjes, maar ze steken en laten heftige jeukbultjes achter. Op de camping lopen enkelen met een muskietengaas masker op die wat doet denken aan de beschermende hoofdbedekking van imkers. We rijden via de brug een groot deel dezelfde route terug naar de Great Glen vallei, omdat we te laat ontdekten dat er van Skye ook een ferry gaat, maar deze bleek al volgeboekt.
Via Glenfinnan naar Glen Nevis
Na zo’n anderhalf uur buigen we op de T-splitsing af naar het zuiden, richting Fort William, de weg noordwaarts is die terug naar Loch Ness en Inverness. De weg slingert naar beneden, over groene hellingen met dennenbossen. De meren in de Great Glen vallei zijn door het Caladonian Canal met elkaar verbonden tot een lange waterweg.
Voor we de camping aan de voet van de Ben Nevis, bij Fort William, opzoeken maken we een omweg via Glenfinnan. We zijn hier in Harry Potter land. Veel locaties zijn gebruikt in de verfilming van de boeken. Van Fort William naar de westkust loopt de spoorlijn waar de Jacobite, ofwel de “Hogwart Express” of “Zweinsteinexpress” een paar keer per dag langsrijdt. We doen een poging om het beroemde viaduct te bereiken, om de stoomtrein daar te zien passeren. Dat is ijdele hoop. De parkeerplaats bij het bezoekerscentrum is meer dan vol, langs de weg ernaartoe staan kilometers lang auto’s en campers in de drassige berm, niet iedereen lukt het er weer uit te komen zo te zien. Maar even verder vinden we, met een aantal anderen, een mooi parkeerhaventje langs het spoor. Het is even wachten, maar vandaag hebben we er een heerlijk zonnetje bij, dus we blijven geduldig aan de route staan. En dan komt er in de verte een stoomwolkje tussen de bergen doorpiepen. Camera’s, maar vooral mobieltjes in de aanslag, en we hebben hem! Terug nog een keer langs de parkeerplaats, maar die is nog steeds vol. We besluiten dan toch de camping op te zoeken, genoeg voor vandaag.
Even buiten Fort William ligt het sluizencomplex, Neptune’s Staircase, met acht sluizen om schepen in anderhalf uur in het bijna twintig meter hogere kanaal te krijgen. Je kunt er opstappen voor een Canalcruise, via drie meren, waaronder Loch Ness, naar Inverness. Vlak achter de sluizen ligt het treinstation, het start- en eindpunt van de Jacobite. Wanneer we de cruiseboot in de sluis aan het fotograferen zijn komt de stoomtrein op de achtergrond op gang, heel langzaam, compleet met stoomwolkjes. Als we weer de weg op willen draaien staat het er muurvast. De brug is open en de sluis stroomt weer vol met kleinere vaartuigen, daar moet iedereen gewoon even op wachten, maar aan de claxonerende automobilisten te horen heeft niet iedereen dat geduld.
Loch Lomond & Trossachs
We volgen de fjord, de Firth of Lorn, zuidwaarts richting het open water van de Noordelijke Atlantische Oceaan. De hele westkust is een aaneenschakeling van eilanden en schiereilanden, veerboten gaan er overal alle kanten op. Dat belooft vandaag weer een mooie route te worden.
De weg draait bij Loch Awe om Kilchurn Castle heen, evenals Eilean Donan Castle op een eilandje, een fort van de Campbell clan, die al bij de eerste jakobistische strijd geruineerd is. Even verderop ligt, aan het water van Loch Fyne, de huidige residentie van de Campbells, Hertog en Hertogin van Argyll, Inveraray Castle, een kasteel dat in Disneyland niet zou misstaan.
Na veel fjorden en meren, bossen en bergen, en bruggen om van de ene naar de andere landtong te hoppen, bereiken we onze eindbestemming voor vandaag, een vakantiepark direct aan het water van Loch Lomond, een groot meer met aan de overzijde het Trossachs Nationaal Park, achter ons de Arrochar Alps van de Argyll, bergtoppen van rond de 1000m rondom ons.
Het zonnetje komt weer tevoorschijn en daarmee ook de midgies, de campingflyer adverteert voor de spray die ze in de kampwinkel verkopen, to enjoy your stay! Maar eigenlijk zijn ze alleen in de ochtend- en avondschemering een probleem.
Schotland is echt een wandel land, maar dan moet je wel eerst naar een startpunt. Zo van de camping af een wandeling maken is levensgevaarlijk. Op de smalle slingerende weggetjes wordt wel erg snel gereden, en voet- of fietspaden zijn er bijna nergens. Onze poging strandt bij het eerste bruggetje, de weg maakt erop een haakse bocht, we maken rechtsomkeert, halen de camper en gaan aan de rit.
Iets buiten de camping ligt de waterkrachtcentrale Inveruglas, met daarbij een mooi uitkijkpunt over het noordelijke deel van het meer. Nog geen twintig kilometer zuidelijk ligt het mega toeristische plaatsje Luss. Voor bezoekers zijn er aan beide zijden van het dorpje parkeerplaatsen, waar je per uur betaalt, het is meer een bewoond openluchtmuseum. Op deze zonnige zondag haken we vrolijk aan, bezoeken de winkel bij de plaatselijke wisky destilleerderij, de art en gift shops en de aanlegsteiger van de rondvaartbootjes.
Via Stirling naar Edinburgh
Vandaag verlaten we de Highlands via de Trossachs en genieten nog van de bergen en meren onderweg. We rijden door de mooie karakteristieke plaats Callander, maar gaan door naar Stirling. Hier nemen we ruim de tijd om de oude stad op de heuvel bij het kasteel te bekijken. De route gaat letterlijk door het groen, bomen aan weerszijden van de weg, ook de hellingen worden steeds groener, lager en wijdser. Hier steeds minder meren, maar kronkelende rivieren en beekjes.
Dan zijn we in de Lowlands, ook wel de Borders genoemd, het grensgebied met Engeland. Ook rond Edinburgh blijft het glooien. Via de bypass in spitsuur verlaten we de drukte richting het zuiden, waar we op een kleine rustige camping in Roslin ons laten begroeten door de eekhoorntjes.
Onze laatste kampeerdag zien we de camping bijna niet. Direct na het ontbijt volgen we in de kapel naast de camping, Rosslyn Chapel, het praatje over de geschiedenis ervan. Wat een kruiskerk had moeten worden is door het overlijden van de opdrachtgever niet verder gekomen dan een enkele vleugel. Toch is deze kapel meermaals in literaire werken beschreven, waaronder in de Da Vinci Code en dit heeft ze geen windeieren gelegd, het zorgt voor een bron aan restauratie gelden. Om negen uur deze ochtend stopt er al een bus Spaanse toeristen voor een rondleiding.
Aansluitend pakken we de bus naar Edinburgh, vanwege de kapel is er een halte om de hoek. Van het verder wat slaperige dorpje Roslin stappen we binnen een uur in de drukte van de hoofdstad van Schotland. Met de tips uit ons reisgidsje kammen we het centrum uit, van de Calton Hill aan de oostzijde, tot het kasteel op de heuvel aan de westzijde. Schitterende oude gebouwen, kerken, theaters en musea, veel parken en pleinen, de mega drukke winkelstraat Royal Mile, maar ook het hyper moderne winkelcentrum St James Quarter.
In de stad is er deze maand het Internationale Burlesque Festival, met straatartiesten op elke honderd meter. Er is een strak schema per act, want de volgende artiest zit al klaar om het plekje over te nemen. Er wordt gezongen, piano gespeeld, vuur gespuugd, gejongleerd, het is een dolle vrolijke boel.
Tegelijkertijd zijn er in diverse theaters muziek en dans voorstellingen in het kader van het Edinburgh International Festival. Wij sluiten de dag af met een concert in het Usher Theater. Bij het volgen van de BBC Proms op de radio hoorden we dat Wynton Marsalis er een concert zou geven met het Jazz at Lincoln Center Orchestra. We hebben ze al een paar keer gezien, op North See Jazz, in het Concertgebouw, maar ook in hun eigen muziekcentrum in New York. Dit zal het laatste jaar zijn dat Wynton Marsalis als trompettist, na veertig jaren, te horen zal zijn bij deze bigband. Voor het uitverkochte concert zijn afgelopen zaterdag de geannuleerde plaatsen vrijgekomen, we hebben er, na een aantal pogingen, nog twee kunnen bemachtigen. Tegen twaalven lopen we het landweggetje weer in, langs de kapel, terug naar de camping waar alles om dit uur in diepe rust is. Wat een schitterende laatste vakantiedag!
Op de terugreis naar Newcastle is het oogsten in volle gang, combines op de weg, of in stofwolken in de velden, op de meeste graanvelden staan inmiddels alleen nog stoppeltjes en strobalen. Maar aan het weer te zien is de zomer nog in volle gang, hittegolven en droogte spelen nog steeds in grote delen van Europa. Vanuit Schotland, zoals de gids van Rosslyn Chapel zo mooi zei, waar er maar één regenseizoen is, die begint in januari en eindigt eind december, duiken we morgen, na het nachtje op de ferry, de hitte in Nederland weer in.
Tijdens de overtocht beleven we, aan het begin van de avond, op het buitendek, met vele andere passagiers en veel bemanningsleden, nog de bijna volledige zonsverduistering op open zee. In de woeste wind staat of zit iedereen tegen het schip geplakt, eclips brillen worden uitgewisseld. Zodra de schemering is ingetreden spoeden de meesten zich snel weer naar binnen. Wij gaan ook eerst maar onze kapsels fatsoeneren, om daarna onderuit te zakken met een drankje en een boek.
(juli-aug 2026)